„De hele dag klanten, de kassa vol — die winkel moet het wel heel goed doen.” Veel eigenaren van kleine winkels hebben dit weleens gehoord van een vriend, een familielid, soms zelfs van een klant. En veel eigenaren hebben tegelijk het gevoel dat er aan het eind van de maand op de een of andere manier minder overblijft dan de dagopbrengst doet vermoeden.
Die twee beelden spreken elkaar niet tegen. Door een kleine winkel gaan grote bedragen, maar het meeste geld gaat alleen maar over de toonbank heen: de goederen moeten worden betaald, de btw moet worden afgedragen, en de huur, de lonen en de stroomrekening moeten worden voldaan. Wat uiteindelijk bij de eigenaar blijft, is maar een klein stukje van de omzet — en hoe klein dat stukje is, verschilt verrassend sterk per winkel.
Dit artikel is een vervolg op onze financiële reeks. Hoe je de marge berekent en wat het verschil is tussen marge en opslag, lees je in Hoe hoog is je marge echt? Opslag, marge en de werkelijke winst van een winkel; sta je op het punt te openen, dan helpt Een ondernemingsplan voor het openen van een winkel: sjabloon, uitgewerkt voorbeeld en de cijfers waarop het strandt je om het hele plan op te stellen. Hier kijken we hoe omzet het inkomen van de eigenaar wordt, in neutrale eenheden en percentages, met drie winkelprofielen en het eigen uurloon van de eigenaar.
Omzet en winst: de meest gemaakte fout
Omzet is wat klanten op de toonbank achterlaten. Winst is wat daarvan overblijft na alle uitgaven. Tussen die twee zitten meerdere stappen, en bij elke stap gaat er iets af. Wie de verdiensten afleidt uit de omzet — of het nu om de eigen winkel gaat of om een winkel die te koop staat — schat ze bijna altijd te hoog in.
- Omzet (bruto): het volledige bedrag door de kassa, inclusief de btw die je bij de klanten int. Dit is wat je aan het eind van de dag in de kassa en op de pinautomaat ziet.
- Netto-omzet: de omzet zonder de belasting. De btw int je bij de klant, maar hij is niet van jou — je moet hem afdragen.
- Brutomarge: netto-omzet min de inkoopwaarde van de verkochte goederen. Hieruit betaalt de winkel alle andere kosten.
- Bedrijfsresultaat: brutomarge min lekkage en vaste kosten. Dit is wat er overblijft voor de eigenaar, vóór belasting.
- Inkomen van de eigenaar: het bedrijfsresultaat, waaruit nog de eigen belastingen en premies van de eigenaar, de aflossingen van leningen en het geld dat opzij wordt gezet voor het vervangen van apparatuur moeten komen.
De meest gemaakte fout is de bruto-omzet — of op zijn best de brutomarge — als verdiensten te zien. Maar de brutomarge is nog niet van jou: daaruit worden de huur, de medewerker en de stroom voor de koelingen betaald. Het volgende deel laat met een voorbeeld zien hoe die stap voor stap opraakt.
De waterval: van de kassa naar de zak van de eigenaar
Neem een levensmiddelenwinkel op een hoek in een stad, voor één maand, in neutrale eenheden. In het voorbeeld gaat er elke maand 115.000 eenheden door de kassa, en de veronderstelde gemiddelde btw daarin is 15.000 eenheden — echte tarieven verschillen per land en productgroep, dit laat alleen zien hoe de berekening werkt. Vanaf hier hebben de percentages altijd betrekking op de netto-omzet.
| Stap | Bedrag (eenheden/maand) | In % van de netto-omzet |
|---|---|---|
| Omzet door de kassa, inclusief btw | 115.000 | — |
| Btw (verondersteld in het voorbeeld) | −15.000 | — |
| Netto-omzet | 100.000 | 100% |
| Inkoopwaarde van de verkochte goederen | −75.000 | 75% |
| Brutomarge | 25.000 | 25 % |
| Derving | −1.500 | 1,5% |
| Eigen verbruik | −500 | 0,5% |
| Voorraadverschil (diefstal, fouten, niet vastgelegde goederen) | −800 | 0,8% |
| Pinkosten | −700 | 0,7% |
| Marge na lekkage | 21.500 | 21,5% |
| Huur | −4.500 | 4,5% |
| Loon van één werknemer, inclusief premies | −7.000 | 7% |
| Energie (stroom, verwarming, koeling) | −2.000 | 2% |
| Boekhouder, verzekering, telefoon, onderhoud | −1.500 | 1,5% |
| Over voor de eigenaar, vóór belasting | 6.500 | 6,5% |
De belangrijkste les van de tabel is niet de onderste regel, maar de verhoudingen. Van de 25 eenheden brutomarge gaan er 15 op aan vaste kosten — met andere woorden: een groot deel van de omzet van de winkel is alleen al nodig om de deur open te houden. Wat daarbovenop komt, is van de eigenaar. Daarom raakt een kleine daling van de omzet het inkomen van de eigenaar onevenredig hard, en levert een kleine verbetering van de marge onevenredig veel op.

Drie winkels, drie resultaten
Dezelfde waterval ziet er anders uit in een kleine dorpswinkel, een hoekwinkel in de stad en een winkel met een eigen bakkerij. De drie profielen hieronder zijn verzonnen, maar volgen typische verhoudingen. De cijfers zijn maandbedragen, in neutrale eenheden, zonder btw.
| Post | Kleine dorpswinkel | Hoekwinkel in de stad | Winkel met eigen bakkerij |
|---|---|---|---|
| Netto-omzet | 45.000 | 100.000 | 130.000 |
| Gemengde brutomarge | 22% → 9.900 | 25% → 25.000 | 32% → 41.600 |
| Lekkage (derving, eigen verbruik, voorraadverschil, pinkosten) | 2% → −900 | 3,5% → −3.500 | 5% → −6.500 |
| Huur | −1.000 | −4.500 | −6.000 |
| Lonen inclusief premies | 0 (familielid helpt mee) | −7.000 | −18.000 (bakker en medewerker) |
| Energie | −1.500 | −2.000 | −4.500 (oven) |
| Overige vaste kosten | −800 | −1.500 | −2.000 |
| Over voor de eigenaar, vóór belasting | 5.700 | 6.500 | 4.600 |
| Hetzelfde in % van de netto-omzet | 12,7% | 6,5% | 3,5% |
| Werkuren van de eigenaar per maand (ca.) | 300 (70 per week) | 260 (60 per week) | 215 (50 per week) |
| Per werkuur van de eigenaar | ca. 19 eenheden | ca. 25 eenheden | ca. 21 eenheden |
De winkel met eigen bakkerij heeft de beste marge, want wat ter plekke wordt gebakken, levert veel meer op dan ingekochte goederen die worden doorverkocht. Maar bakken vraagt om een bakker, de oven vraagt om stroom, en ook de derving op vers brood en banket is hoger. Als die kosten niet onder controle zijn, lekt de betere marge gewoon weg. De dorpswinkel haalt zelfs bij een lage omzet een behoorlijk aandeel, maar alleen omdat hij nauwelijks huur betaalt en het werk van het familielid nergens als kosten verschijnt — als dat werk morgen betaald moest worden, zag het beeld er heel anders uit.
Het uurloon van de eigenaar
In de meeste kleine winkels staat de eigenaar zelf ook achter de toonbank — vaak bij het openen en sluiten, bij het plaatsen van de bestellingen, en op de vrije dag als invaller wanneer iemand ziek is. De eerlijkste vraag is dus niet hoeveel er in de winkel overblijft, maar hoeveel dat is per gewerkt uur. Deel wat overblijft door je eigen uren, en je ziet of de winkel winst maakt of alleen je eigen werk betaalt.
| Uren per week | Uren per maand (ca.) | Per uur uit de 6.500 eenheden | Vergeleken |
|---|---|---|---|
| 40 | 173 | ca. 37,6 eenheden | Minder dan wat een uur van de werknemer kost (ca. 40) |
| 50 | 217 | ca. 30 eenheden | Driekwart van het uur van de werknemer |
| 60 | 260 | ca. 25 eenheden | Ongeveer 60% van het uur van de werknemer |
| 70 | 303 | ca. 21,5 eenheden | Ongeveer de helft van het uur van de werknemer |
Veel eigenaren vinden deze berekening ongemakkelijk, maar ze is belangrijk. Als er per uur minder voor jou overblijft dan een werknemer zou kosten, maakt de winkel eigenlijk geen ondernemerswinst: hij betaalt je werk, goedkoper dan dat van een ander, en niets betaalt het risico, het geld dat je erin hebt gestoken of je weekenden. Dat is niet per se een reden om te sluiten — veel eigenaren kiezen er bewust voor, omwille van hun onafhankelijkheid — maar het is goed om te weten waar je voor tekent.
„Een winkel is winstgevend als er nog iets overblijft nadat de eigenaar een marktconform loon heeft gekregen. Wat daarvóór overblijft, is geen winst, maar loon.”

Waarom is de ene winkel winstgevend en de andere niet?
Van twee winkels met een vergelijkbare omzet onderhoudt de ene zijn eigenaar behoorlijk en de andere nauwelijks. Het verschil zit zelden in één groot ding; veel vaker zijn het een paar verhoudingen die samen bepalen hoeveel er overblijft.
- Locatie: het aantal voorbijgangers, parkeergelegenheid, een school, halte of werkplek in de buurt. Een goede locatie is niet goed vanwege de huur, maar vanwege het aantal klanten dat ze per eenheid huur oplevert.
- Openingstijden en drukke uren: als de winkel open is op momenten dat er nauwelijks iemand binnenkomt, lopen lonen en energie door terwijl de omzet dat niet doet. Winstgevende winkels stemmen hun openingstijden af op hun piekuren.
- Margemix: vers brood en banket, koffie, lokale producten en gemaksproducten leveren doorgaans een betere marge op dan tabak, basisproducten of beltegoed. Dezelfde omzet kan een heel andere brutomarge opleveren.
- Derving: een winkel die verse producten verkoopt, kan gemakkelijk twee of drie procentpunten aan derving verliezen als hij te veel bestelt. Dat verschil alleen al kan bepalen of er nog winst overblijft.
- Huur ten opzichte van de omzet: dezelfde huur is draaglijk in een drukke winkel en wurgt de winst in een rustige. Wat telt, is niet de hoogte van de huur, maar welk aandeel van de netto-omzet hij opslokt.
Zo reken je het uit voor je eigen winkel
Je kunt de waterval van je eigen winkel in een middag opstellen als je de cijfers van de afgelopen drie tot zes maanden hebt. Kijk liever niet naar één losse maand, want het seizoen, grote rekeningen en vakanties vertekenen het beeld. Werk met een maandgemiddelde, en altijd met nettobedragen, zonder btw.
- 11. Netto-omzetNeem de omzet door de kassa en trek de btw eraf. Je boekhouder kan je precies vertellen hoeveel dat in jouw winkel was; heb je het niet bij de hand, dan kun je het uit de kassa-afsluitingen halen.
- 22. Inkoopwaarde van de verkochte goederenWat telt, is niet hoeveel voorraad je hebt ingekocht, maar hoeveel je hebt verkocht, tegen inkoopprijs. Is de voorraad aan het begin en eind van de maand ongeveer gelijk, dan zijn de inkopen van die maand een goede benadering; zo niet, neem het verschil dan mee.
- 33. BrutomargeNetto-omzet min de inkoopwaarde van de verkochte goederen. Deel die door de netto-omzet en vergelijk het met wat je van je assortiment verwachtte — hoe je het berekent, staat uitgebreid in ons artikel over marge.
- 44. LekkageTel de derving van de maand op, het eigen verbruik tegen inkoopprijs, het voorraadverschil en de pinkosten. Leg je derving en eigen verbruik niet vast, dan is deze post alleen een schatting — en bijna altijd een onderschatting.
- 55. Vaste kostenHuur, lonen inclusief premies, energie, boekhouder, verzekering, telefoon, onderhoud, en een maandbedrag om later apparatuur te vervangen. Deel jaarposten door twaalf.
- 66. Wat overblijft, en per uurMarge min lekkage min vaste kosten: dit is wat er voor jou overblijft, vóór belasting. Deel het door je eigen werkuren per maand en vergelijk het met wat een uur van een werknemer zou kosten.
- 77. Het break-evenpuntDeel de maandelijkse vaste kosten door het margepercentage na lekkage. In het voorbeeld is 15.000 eenheden gedeeld door 21,5% ongeveer 70.000 eenheden: dat is de netto-omzet die nodig is om alleen al geen verlies te maken — en het werk van de eigenaar zit er dan nog niet eens in.
Vijf hefbomen die de winst laten groeien, niet de omzet
Omdat de vaste kosten grotendeels los staan van de omzet, gaat alles wat de marge na lekkage verhoogt vrijwel volledig naar de eigenaar. In het voorbeeld van de hoekwinkel in de stad is één procentpunt marge 1.000 eenheden per maand — meer dan 15% bovenop de 6.500 eenheden die voor de eigenaar overblijven. Daar is geen enkele nieuwe klant voor nodig.
- Verbeter de margemix: de beste schapruimte en de plek rond de toonbank gaan naar de producten met een hogere marge. Als je per product en per categorie niet alleen de omzet maar ook de winst ziet, ontdek je wat die ruimte verdient.
- Minder derving: kleinere, frequentere bestellingen van verse producten, en een korting op vaste tijden in de uren voordat ze verlopen. Wat voor de halve prijs weggaat, levert nog iets op; wat in de bak belandt, kost alleen maar.
- Leg eigen verbruik en voorraadverschil vast: wat met naam en artikel wordt opgeschreven, neemt meestal af. Niet uit wantrouwen, maar omdat het zichtbaar wordt.
- Openingstijden die passen bij de drukke uren: als de verkoop per uur laat zien dat er in een bepaald uur nauwelijks iemand binnenkomt, kunnen de lonen en de energie van dat uur meer kosten dan het oplevert.
- Onderhandel opnieuw over vaste kosten: huur, het energiecontract, de voorwaarden voor pinbetalingen, oude koelingen vervangen door zuinigere. Een bespaarde vaste post is elke maand opnieuw van jou.

Veelgemaakte fouten in de berekening
- Het geld in de kassa als winst zien. De contante en pinopbrengst van de dag is omzet — de leveranciersfacturen, de btw en de huur zijn daar nog niet eens van betaald.
- Rekenen inclusief btw. Reken je de marge uit op basis van de bruto-omzet, dan ziet elk getal daarna er te mooi uit — btw is geen inkomen van je winkel.
- Je eigen loon weglaten. Als het werk van de eigenaar nergens verschijnt, kan de winkel winstgevend lijken, zelfs als je uurloon bijna nul is.
- Het onbetaalde werk van een familielid niet meetellen. Wat vandaag als gunst wordt gedaan, moet morgen misschien betaald worden — en dan blijkt dat de winkel alleen zo kon draaien.
- Inkopen zien als inkoopwaarde van de verkochte goederen. Heb je in de loop van de maand voorraad opgebouwd, dan zijn de inkopen hoger; heb je hem afgebouwd, dan zijn ze lager — hoe dan ook raakt de winst vertekend.
- Vergeten apparatuur te vervangen. Een koelkast of een kassa gaat op een dag kapot; als je daar niet elke maand geld voor opzij zet, kost één slechte maand de winst van een heel jaar.
Er is één fout die niet in de berekening zit, maar in hoe het geld aanvoelt: wanneer de winkel op papier winstgevend is en er toch altijd geld tekortkomt. De gebruikelijke oorzaak is geld dat vastzit in voorraad en in de betalingstermijnen van leveranciers — ons artikel De winkel is winstgevend en heeft toch geen geld — voorraad en liquiditeit behandelt dit uitgebreid.
Wanneer je beter geen winkel opent of koopt
De cijfers beslissen niet voor je, maar ze waarschuwen je wel. Als de waterval van een winkel die je wilt openen of kopen een van de volgende punten laat zien, loont het om te stoppen en het nog eens door te rekenen — of verder te kijken.
- Als het uurloon van de eigenaar in het plan veel lager is dan wat je als werknemer zou verdienen, met minder uren en zonder het risico.
- Als de winkel alleen winst maakt wanneer de familie er gratis in meewerkt, en niemand heeft nagedacht over hoe lang ze dat blijven doen.
- Als de huur een veel groter deel van de verwachte netto-omzet zou opslokken dan bij vergelijkbare winkels in de buurt.
- Als het plan uitgaat van een gemengde marge die ver boven die van winkels met een vergelijkbaar assortiment ligt — het assortiment levert geen betere marge op alleen omdat je die in de spreadsheet hebt gezet.
- Als de omzet die nodig is om break-even te draaien hoger is dan wat de locatie realistisch gezien kan opleveren, op basis van de klantenaantallen die je hebt waargenomen.
- Als de verkoper omzet noemt en geen winst, en de stappen van de waterval niet met papieren kan onderbouwen.
- Als je geen reserve hebt voor minstens een paar maanden vaste kosten — de eerste maanden zijn bijna altijd slechter dan het plan.

Samenvatting
- Omzet is geen winst: van het geld door de kassa blijft er na btw, goederen, lekkage en vaste kosten maar een klein stukje over voor de eigenaar.
- De gemengde brutomarge van een kleine levensmiddelenwinkel ligt doorgaans rond de 20–30%; lekkage haalt daar een paar procentpunten af, en de vaste kosten het grootste deel van de rest.
- Deel wat er voor de eigenaar overblijft door je eigen werkuren en vergelijk het met wat een uur van een werknemer kost — zo zie je of er echte winst is.
- Winst wordt bepaald door de locatie, hoe goed de openingstijden aansluiten op de drukke uren, de margemix, de derving en de huur als aandeel van de omzet — niet door de hoogte van de omzet.
- Een procentpunt marge of een bespaarde vaste post gaat vrijwel volledig naar de eigenaar — de winst kan groeien zonder dat de omzet groeit.
- De cijfers verschillen sterk per winkel en per markt: reken je eigen winkel door met je eigen gemeten gegevens, en laat een boekhouder ernaar kijken voordat je beslist.
Veelgestelde vragen
Wat verdient de eigenaar van een kleine winkel?
Dat verschilt sterk per winkel, maar in veel kleine levensmiddelenwinkels blijft er voor de eigenaar maar een paar procent van de netto-omzet over vóór belasting. In het voorbeeld van de hoekwinkel in de stad in dit artikel was dat 6,5%, meer in een kleine dorpswinkel en minder in een winkel met eigen bakkerij. Het loont om dit bedrag terug te rekenen naar de eigen werkuren van de eigenaar, want in veel winkels blijkt dan dat de eigenaar in feite zijn eigen werk betaalt. Het precieze getal kun je alleen uitrekenen met de gegevens van je eigen winkel.
Hoeveel winst maakt een kleine winkel ten opzichte van de omzet?
In een kleine levensmiddelenwinkel ligt de brutomarge doorgaans rond de 20–30% van de netto-omzet, afhankelijk van de samenstelling van het assortiment. Derving, eigen verbruik, voorraadverschil en pinkosten halen daar nog een paar procentpunten af. Na huur, lonen, energie en andere vaste kosten blijft er in veel winkels een percentage van één cijfer over. Dat is het inkomen van de eigenaar vóór belasting, waaruit nog de eigen belastingen en premies moeten komen.
Loont het om een kleine winkel te openen?
Het loont als er aan het eind van de geplande waterval nog iets overblijft na een marktconform loon voor het werk van de eigenaar, en de locatie realistisch gezien de benodigde omzet kan opleveren. Reken het break-evenpunt uit, dus hoeveel netto-omzet er nodig is om de vaste kosten te dekken, en vergelijk het met de klantenaantallen die je hebt waargenomen. Kijk ook hoeveel je per werkuur krijgt, en hoe dat zich verhoudt tot wat je als werknemer zou verdienen. Kloppen de cijfers alleen met onbetaald werk van familie of met een betere marge dan vergelijkbare winkels halen, wees dan voorzichtig.
Wat is een normale marge voor een kleine levensmiddelenwinkel?
De gemengde brutomarge, berekend over het hele assortiment, ligt in een kleine levensmiddelenwinkel doorgaans rond de 20–30% van de netto-omzet. Basisproducten, tabak en beltegoed leveren vaak veel minder op, terwijl vers brood en banket, koffie en gemaksproducten meer opleveren. Daarom kunnen twee winkels met dezelfde omzet heel verschillende marges hebben. Hoe je de marge precies berekent, laat ons artikel over marge zien.
Wat is het verschil tussen omzet en winst?
Omzet is wat klanten betalen; winst is wat daarvan overblijft na alle uitgaven. Daartussen zitten de btw, de inkoopwaarde van de verkochte goederen, de derving en de andere lekkage, en de vaste kosten. In een kleine winkel wordt doorgaans maar een klein deel van de omzet winst. Wie de verdiensten afleidt uit de omzet, schat ze bijna altijd te hoog in.
Waarom is het geld in de kassa geen winst?
Omdat de contante en pinopbrengst van de dag omzet is, geen winst. Daaruit moet je de leveranciersfacturen betalen, de btw afdragen en de huur, de lonen en de rekeningen voldoen. Als je het geld in de kassa als winst ziet en er geld uit haalt, kan het gemakkelijk gebeuren dat er niets is om de facturen mee te betalen wanneer ze vervallen. De winst wordt pas duidelijk na de afrekening aan het eind van de maand.
Moet ik mijn eigen loon meetellen bij de kosten van de winkel?
Voor het nemen van beslissingen wel, want zonder dat lijkt de winkel winstgevender dan hij is. Reken uit wat een werknemer die jouw uren maakt zou kosten, en trek dat af van wat er overblijft. Blijft er dan nog iets over, dan is dat de echte winst van de winkel; zo niet, dan betaalt de winkel je werk. Hoe je eigen inkomen boekhoudkundig en fiscaal moet worden behandeld, hangt af van de rechtsvorm en het land — je boekhouder kan het je vertellen.
Hoeveel omzet heeft een kleine winkel nodig om winstgevend te zijn?
Het break-evenpunt krijg je door de maandelijkse vaste kosten te delen door het margepercentage na lekkage. In het voorbeeld van dit artikel, met 15.000 eenheden vaste kosten en een marge van 21,5%, is dat ongeveer 70.000 eenheden netto-omzet per maand. Daaronder maakt de winkel verlies, en dan is het werk van de eigenaar nog niet eens meegerekend. Tel je ook het loon van de eigenaar als vaste kosten mee, dan ligt de benodigde omzet flink hoger.
Hoeveel kosten derving en diefstal een kleine winkel?
Derving, eigen verbruik, voorraadverschil en pinkosten halen samen vaak 2–5 procentpunten van de netto-omzet af, en in winkels die verse producten verkopen zit je eerder aan de bovenkant van die marge. Dat klinkt weinig, maar vergeleken met wat er voor de eigenaar overblijft is het heel veel. In het voorbeeld van dit artikel is de 3,5% lekkage meer dan de helft van wat de eigenaar overhoudt. Leg je die niet vast, dan kun je ze alleen schatten, en die schatting ligt bijna altijd lager dan de werkelijkheid.
Hoeveel huur kan een kleine winkel betalen?
Wat telt, is niet het bedrag, maar welk aandeel van de netto-omzet de huur opslokt. In de voorbeelden van dit artikel ligt de huur rond de 2–5% van de omzet, maar dat verschilt sterk per plek. Zou de huur van een pand een veel groter aandeel opslokken dan bij vergelijkbare winkels in de buurt, dan kan alleen een hogere omzet of een betere marge het verschil goedmaken. Reken het break-evenpunt met die huur uit voordat je tekent.
Hoe verhoog ik de winst als de omzet niet groeit?
Door de margemix te verbeteren, de derving te verminderen, eigen verbruik en voorraadverschil vast te leggen, de openingstijden af te stemmen op de drukke uren en opnieuw te onderhandelen over vaste kosten. Omdat de vaste kosten grotendeels los staan van de omzet, gaat vrijwel elke verbetering van dit soort volledig naar de eigenaar. In het voorbeeld van dit artikel verhoogt één procentpunt marge wat er voor de eigenaar overblijft met meer dan 15%. Verander één ding tegelijk, zodat je ziet wat heeft gewerkt.
Hoe weet ik welke producten de winst binnenbrengen?
Als je de verkoop per product vastlegt en je inkoopprijzen kent, kun je per product en per categorie niet alleen de omzet maar ook de winst uitrekenen. Vaak blijkt dat het best verkopende product de minste winst oplevert, terwijl een minder opvallende categorie het meeste binnenbrengt. Het loont ook om twee periodes te vergelijken, om te zien of het herindelen van een schap of het aanpassen van een prijs effect had. Zo bepaal je wat de beste schapruimte krijgt.
Zeg de productnaam en hij staat op de kassa.
Boltom App neemt het werk achter de toonbank van u over. U vindt een product via de foto of door de naam gewoon uit te spreken — zonder codes, zonder briefjes. Wat van het schap gaat of in de bak belandt, legt u meteen ter plekke vast, niet in een schriftje. De app werkt naast uw bestaande kassa, niet in plaats daarvan.
- Snelcode met foto — of zeg de productnaam en de kassa vindt hem.
- Eigen verbruik in drie tikken, op naam van wie het vastlegt.
- Dagelijkse derving met reden: over datum, kapot, onverkoopbaar — opgeteld in geld.
Zonder creditcard · 2 minuten




